Mohammed Benzakour
'Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik het zelf.'
Zo opent het verhaal. Het soort openingszin die je stilletjes voor je uit prevelt, fietsend op de dijk of wachtend op de bus. Of, toepasselijker, liggend op de heide met een grassprietje in de mond. Het bezit dezelfde indringende entree als Camus' l'Etranger. De moeder van Meursault is gestorven maar Meursault weet niet of dat gisteren was of vandaag. Het grijpt je onmiddellijk en laat niet meer los. En let eens op dat 'maar'. Bestaat er een krachtiger en schonere toepassing van dit tegenwoordig zo slordig gebruikt verbindingswoord? Met daarop volgend 'Al zeg ik het zelf' - en je weet meteen: hier is een meester aan het woord. De meester heet - de fijnproevers hadden het al door - Nescio, geciteerd uit Titaantjes.
Nescio is niet zomaar tekst op papier. Nescio is een ervaring. Wie Nescio leest verandert. Van stemming, van karakter, ik weet niet wat maar iets verandert. Soms duurt die verandering kort, soms een leven lang - afhankelijk van de leeftijd. En de romantische inborst. Want wie een zin optekent als "De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen", die heeft een hart dat klopt op het ritme van poëzie.
Over Nescio is best wat geschreven. Elke schrijver met een beetje smaak heeft wel enige woorden aan hem gewijd. Soms ten behoeve van de letterkundige analyse, maar dikwijls uit eerbetoon. Zo ontboezemde eens Bernlef in een radio-interview: "Aan de boeken van Nescio gaat men een waarde hechten die zó groot wordt dat ze, althans voor mij, gaan behoren tot die weinige boeken die ik beslist niét uitleen, aan niemand." En Remco Campert schreef: "Nescio is de grote schrijver van een klein oeuvre." Voor de markante Reve ("Ik voltooi eigenlijk geen bladzij, zonder dat ik tenminste een keer aan Nescio heb gedacht") fungeerde Nescio zelfs als een soort muze. Diens gedicht 'Literatuur' luidt:
Gevraagd naar zijn opinie
over het jongste prachtboek 'De Avonden',
zeide eens de oude schrijver Nescio:
'Dat boek? Dat is geen boek: dat is een onboek.'
'Toch pakt het je wel aan, Pappie,'
wierp zijn vrouw hem tegen.
'Dat is zo,' gaf hij toe. 'Net als de cholera.'
Nescio en Reve, loten aan dezelfde stam, zo lijkt het. Maar wie was Nescio?
Allereerst, de naam is een pseudoniem, en wel van J.H.F. Grönloh, geboren in 1882 te Amsterdam. Na de driejarige HBS en de openbare handelsschool werd Grönloh kantoorbediende. In 1901 heeft hij in Amsterdam een zangvereniging opgericht en drie jaar later kreeg ie een baan bij een exportfirma, waarvan hij van 1926 tot 1937 directeur was. Nescio (Latijn: Ik weet het niet - zelden valt een schuilnaam zo samen met des schrijvers levenshouding) debuteerde in 1911 in De Gids met het autobiografisch getinte verhaal De Uitvreter. Vier jaar later volgde Titaantjes, dat gepubliceerd werd in het tijdschrift Groot Nederland. Dit alles voorafgaand aan zijn enige novelle Dichtertje (krap vijftig bladzijden). Pas in 1946 publiceerde Nescio zijn bundeltje Mene Tekel. Zeven jaar voor zijn dood in Hilversum, in 1954, werd ie nog gelauwerd met de Marianne Philips-prijs. Postuum verscheen nog enig niet eerder gepubliceerd werk, waaronder Insula Dei (eiland van God, mb)
Naast het kleine stapeltje proza, is het bronzen beeldhouwwerk de 'Titaantjes' in het Amsterdamse Oosterpark zo ongeveer het enige tastbare wat nog aan de meester herinnert. Maar Nescio zal er niet wakker van liggen, ijdelheid en geldingsdrang waren hem wezensvreemd. Zo nam hij aan het literaire leven in geen geval deel, uitnodigingen wimpelde hij standaard af. En tegen Carmiggelt zei hij eens: 'Ik heb altijd zoveel mogelijk stil gehouden dat ik schreef. Want ik heb mijn leven lang op een kantoor gezeten en als ze in zulke kringen merken, dat je zulke neigingen hebt, denken ze alleen maar, dat je niet deugt voor je werk.' En tegen Simon Vinkenoog die hem - een zeldzaamheid - kwam interviewen, verzuchtte ie: 'Schrijft u over mij maar niks'.
Zoals ik al opmerkte is er aardig wat over Nescio geschreven. Maar wie de secundaire literatuur tot zich neemt ontdekt al snel dat de verzameling letterkundigen en critici elkaar min of meer herhalen. De een verwoordt het zus, de ander zo, maar feitelijk zeggen ze hetzelfde. En telkens komt het neer, ik vat het samen, op het volgende: Nescio's proza bestaat uit romantische, idealistische jeugdherinneringen. Zijn personages zijn gelijkgestemde vrinden die denken de wereld te kunnen verbeteren maar weinig anders doen dan mijmeren langs sloten en stille paadjes. De vrinden worden ouder, krijgen maatschappelijke verplichtingen, werk en huwelijk waardoor hun oude idealen hardhandig naar de achtergrond worden verdrongen en vanuit dat 'dal der plichten' werpt Koekebakker (de vertellende ik-figuur) een weemoedige, licht-ironische terugblik op het verleden. Deze Koekebakker (in het normale taalgebruik een niet erg gunstige connotatie, typisch) en zijn vrinden Bavink en Japi vinden elkaar in de angst voor het naderende burgermansbestaan. Zij beproeven alle mogelijke manieren om hieraan te ontsnappen: idealistische vrindschap, spot op de maatschappij, onbelemmerd genieten van de natuur of, zoals in het geval van Japi, zelfmoord.
Dit allemaal is niet onwaar. Je hoeft geen groot letterkundige te zijn om in te zien dat Titaantjes een typische reflectie is van datgene wat leeft in de zielen van jonge mensen in het postpubertaire stadium. Die gevoeligheid, die afkeer van de maatschappij, een mengsel van verering en angst voor vrouwen, minachting voor de dolende burgerlui, dat onaangepaste denken. Jongens, zeg maar, die hun identiteit nog moesten vinden, maar die soms uitliepen op de dood en zich soms lieten vangen door het gezapige establishment.
Maar Nescio is méér. En niet alleen in stilistische zin (vreemd kabbelende sfeerzinnetjes gelardeerd met archaïsche bonbons, zoals bullen, cheviotten, giggelen - het deed Menno ter Braak opmerken dat Nescio's novellen tot 'het beste behoren, wat de stijl van tachtig heeft voortgebracht'.). Na grondige lezing dringt de vraag zich brutaal op: waarom is er zo weinig aandacht besteed aan een figuur die zo ongeveer tussen elke Nescio-regel doorsijpelt, namelijk: God? Nou goed, Aleid Truijens heeft deze heer weleens opgemerkt, maar kwam niet heel veel verder dan 'Er is veel God in Nescio's werk.'
Het 'goddelijke' karakter van Nescio's werk (hoe actueel!) is dermate sterk dat ik durf te stellen dat het méér is dan een aspect of motief; God lijkt bij Nescio hét onderliggende hoofdthema. Titaantjes bijvoorbeeld is ervan doordrenkt. God glimt in de ogen van de meisjes. God schuilt in de kruinen van de bomen. God zit aan de kant van de sloot. God is hier, God is daar, God is overal. Zelfs in de ledematen. Want als 'Zondagavond de zon was ondergegaan achter Abcoû' en de jongens 'het heelal hadden doordacht', dan dachten ze eraan hoe God hun 'hoofd, hart en ruggenmerg had gevuld'.
Om daar even later aan toe te voegen: "God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen staan er vol schoone bloemen, die niet sterven, en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos 't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht naar die zee. […] En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf."
God dwingt tot nederige tevredenheid en tevredenheid is geluk - klinkt hier niet de echo van oude mystici? Soefisme volgens oer-Hollandse snit. Rumi aan de Amstel. Uiteraard was het meteen duidelijk dat Nescio's godsbeeld weinig strookte met die barse, abstracte, hoog in de hemelen zwevende entiteit van die stijve kerkgangers uit Kloosterzande. Maar toen hij optekende dat de 'God van Nederland met een roos op zijn kraag en een slobberige broek door Amsterdam sjokt' was deze vrijzinnigheid zelfs de toenmalige redactie (1914) van De Gids te gortig en weigerde ze prompt Titaantjes te plaatsen. (ofschoon je goed kan verdedigen dat een bloemenminnende, in slobberbroek rondsloffende God werkelijk de gezelligste God op aarde moet zijn.)
Alsof dit alles voor calvinistisch Nederland niet uitheems genoeg was, doet Nescio er nog een zen-boeddhistisch schepje bovenop: "Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen."
Wie durft nog te beweren dat Nescio's werk louter een stapel nutteloze dagdromerij is van een stel al te naïeve vrinden aan de slootkant?
De aangename droevigheid over onbereikbare liefdes en idealen, de weemoedigheid en vervreemding die je overweldigen als je beseft hoe nietig en nutteloos je eigen leventje is - Titaantjes gaat in essentie over een spirituele zoektocht. Een ontdekkingsreis naar iets hogers, iets edels. Het gaat over speuren naar een verzoenend evenwicht, tussen het zichtbare en het onzichtbare. Tussen jezelf en je omgeving. Het is zoeken naar identiteit en identificatie. Het is het verlangen naar kameraadschap. Soms kan God in dat verlangen voorzien. God kan een goede maat zijn, een steun en toeverlaat - hoe raadselachtig ook Zijn wezen.
Hoe actueel Nescio is bewijst het dagelijkse titanengevecht met Allah in onze binnensteden; de onstuimige migrantenkroost die met schade en schande een ontsnappingsroute zoekt door te trachten de eeuwige heiligheden te herenigen met moderne vormen van vrijheid en zelfbeschikking. Nescio zelf beziet die worsteling met onverholen vermaak. In zijn slotalinea, die gerekend mag worden tot een absoluut juweel uit de schatkamers van de Nederlandse literatuur, stelt hij: "Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat betekenen. Nieuwe Titaantjes zijn alweer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: 'Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar. ' En zoo gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom? "
Ik neem het risico toch maar en vraag aan God: 'Waarom heeft U, in vredesnaam, Nescio niet méér laten schrijven?